In de 17e eeuw beleefde Kollum een grote economische en creatieve bloeitijd als welvarend regionaal centrum. Dankzij de bloeiende handel en de aanwezigheid van adellijke families in de omgeving was er veel vraag naar luxegoederen. Hierdoor vestigden zich er meerdere goud- en zilversmeden, waardoor de plaats tussen 1642 en 1687 zelfs een eigen zilverkeur mocht voeren. De Kollumer zilvermeesters waren onderling sterk verbonden via ingewikkelde familiale netwerken en meester-leerling-relaties. Auteur Peter de Reijke beschrijft de levens en omzwervingen van deze grondleggers.
Prominente pioniers en hun migratie
Veel zilversmeden die hun basis of roots in Kollum hadden, zochten hun geluk in andere steden vanwege economische kansen of gildevoordelen:
- Frans Arians Riemersma: Geboren rond 1595 in Kollum en vermoedelijk opgeleid door Sake Paulus. Hij trok naar het rijke Bolsward, waar hij in 1620 gildemeester werd. Riemersma was niet alleen een kundig ambachtsman (bekend van onder andere een drinkhoorn uit 1625), maar ook een invloedrijk politicus. Hij was burgemeester van Bolsward en onderhandelde als afgevaardigde over de aanleg van de Stroobossertrekvaart.
- Hillebrand Brongersma: Zoon van de secretaris van Kollumerland. Hij verhuisde naar Leeuwarden, trad daar in 1646 toe tot het gilde en maakte snel carrière. Hij werd keurmeester, stempelsnijder van de Munt en uiteindelijk presiderend burgemeester van Leeuwarden.
- Bronger Brongersma: De broer van Hillebrand vestigde zich in 1655 in Appingedam. Mogelijk meed hij de strenge Friese keurvoorschriften om in een vrijer Gronings gildeklimaat te werken. Hij werd een gerespecteerd burger en diaken in zijn nieuwe woonplaats.
Familierelaties en het drama in Appingedam
De migratie van Bronger Brongersma trok ook andere familieleden naar Appingedam. Zijn schoonzus Cornelia Pars volgde hem en trouwde daar met de lokale zilversmid Evert Jacobs van der Gouw. Dit huwelijk werd overschaduwd door het tirannieke en gewelddadige gedrag van Van der Gouw, die Bronger zelfs met een mes achtervolgde. Na een vlucht naar Groningen en het uiteindelijke overlijden van haar man, keerde Cornelia terug naar Appingedam. Haar zoon, Jacques Pars, werd door zijn oom Bronger opgeleid in het vak. Jacques trad in zijn ooms voetsporen, werd een succesvol zilversmid en schopte het in 1723 tot burgemeester van Appingedam.
Achterblijvers en meesters in Kollum
Ook in Kollum zelf en de directe omgeving (zoals Dokkum) bleven de ambachtelijke lijnen sterk:
- De familie van Sake Paulus: Zijn zoon Jacob Sakes bleef in Kollum werken en trouwde met Tieltje Brongersma. Diens broer Paulus Sakes trok naar Dokkum en maakte de prestigieuze zilveren en gouden gedenkpenningen voor de opening van de Stroobossertrekvaart (1656). Ook hij werd later burgemeester.
- Pieter Douwes: Een welvarende, klassiek geschoolde meester die vanaf 1651 in Kollum werkte. Hij en bijna zijn gehele gezin kwamen in 1665-1666 tragisch om het leven tijdens een pestepidemie. Zijn enige overlevende zoon, Hermannus Collenius, ontwikkelde zich later tot een zeer succesvol kunstschilder voor de Groningse elite.
- Sake Willems: Afkomstig uit Kollum, maar later gevestigd in Dokkum. Hij combineerde het vak van goudsmid opmerkelijk genoeg met een bestaan als soldaat.
Conclusie: De geschiedenis van de Kollumer zilversmeden laat zien hoe een hecht regionaal netwerk van ambachtslieden uitzwermde over Friesland en Groningen. Zij blonken niet alleen uit in hun verfijnde kunstnijverheid, maar wisten hun vakmanschap steevast te combineren met hoge maatschappelijke, financiële en bestuurlijke posities.
Met dank aan Peter de Reijke.
Lees hier de volledige blog over de zilver- en goudsmeden van Kollum
